61. Waar donker plaatsmaakt voor licht

Deel II | 0 Reacties

Een paar dagen geleden zat ik nog in Porto, waar het regende. Zoals ook in Nederland. De donkere dagen zijn weer begonnen — voor velen een periode van somberheid. Ik heb altijd moeite gehad met de zomer die zich verruilt voor de koude, natte en donkere maanden. Van jongs af aan al. Als kind was ik bang voor het donker. Daarom had ik altijd een klein lampje aan in mijn slaapkamer, zodat het nooit helemaal stil of zwart was. Ik wist dat er niemand was, maar het voelde alsof er iets om me heen hing. Soms leek het alsof iemand vlak achter me stond, zijn adem in mijn nek. Ik sliep dan met mijn hele lichaam onder de dekens, alleen mijn mond stak nog uit om te kunnen ademen — alsof ik me kon verstoppen voor wat ik niet zag, maar wel voelde.

Ook in de jaren daarna gingen het donker en ik niet goed samen. De winter maakte me angstig en somber. Er zat altijd een onverklaarbaar, drukkend gevoel in mijn buik. Het heeft jaren geduurd voordat ik ermee leerde omgaan. Lange tijd zag ik het donker als iets negatiefs, iets om bang voor te zijn. Pas later ontdekte ik dat het ook iets anders kon zijn: rustig, knus, zelfs troostend. Ik leerde het donker niet te bestrijden, maar naar me toe te halen — en daarmee veranderde het ook in mij.

De laatste jaren heb ik het donker leren omhelzen. Lampen aan, kaarsjes op tafel, een film of een goed gesprek. Ik ben avondwandelingen gaan maken, iets wat onverwacht rust bracht. Soms was het zó stil op straat dat ik de wereld even alleen leek te hebben. Ook boswandelingen werden een vast ritueel: goed aangekleed de kou in, door de geur van natte aarde en vallende bladeren. De natuur in de herfst heeft iets bijzonders — het verval is er zichtbaar, maar ook het begin van iets nieuws. Mist die tussen de bomen hangt, sneeuw die de stilte dempt. In dat soort momenten leerde ik dat er schoonheid in stilte zit, zelfs als het licht ontbreekt.

Toch bleef er één ding dat ik miste: de zon. Niet alleen de warmte op mijn huid, maar ook dat gevoel van leven, energie. En dus besloot ik, zoals ik dat wel vaker doe, de kou te ontvluchten en het licht op te zoeken.

Een van de voordelen van reizen is dat je — als het in Nederland koud en nat is — gewoon naar de zon kunt gaan. Even aan de winter ontsnappen. Mijn tas stond al klaar; ik had hem direct na mijn dagen in Porto ingepakt. Na de regen van Portugal verlangde ik naar licht. En dat kreeg ik. Bij aankomst in Cyprus was het 28 graden: soms wat bewolkt, maar vaak helder en warm.

Veel mensen denken niet direct aan Cyprus als vakantiebestemming, maar het eiland heeft iets unieks. Het ligt ten zuiden van Turkije, op de kruising van Europa en Azië. Het noordelijke deel wordt bestuurd door Turkije, het zuiden door Griekenland — twee werelden op één eiland, die ondanks hun verschillen vredig naast elkaar bestaan.

Ik besloot al mijn nachten door te brengen in Larnaca, een badplaats in het zuiden. Vanaf daar wilde ik het eiland rustig verkennen. De eerste dag houd ik altijd vrij rustig, om te landen. Dat heb ik niet gepland, maar geleerd — omdat ik merkte dat ik de eerste dag altijd even moet schakelen. Geen haast, geen plan. Gewoon wat ronddwalen, een cappuccino drinken, lekker eten. Larnaca is niet groot, maar charmant. Midden in de stad staat een oude kerk, gebouwd op de tombe van Lazarus — een goede vriend van Jezus. Vanaf daar loop je zo het compacte centrum door naar de boulevard, waar de terrassen en cafés vol leven zijn. Het was geen hoogseizoen meer; er waren toeristen, maar niet zoveel als in de zomer. Heerlijk rustig. Ik ging zitten, bestelde iets te drinken en liet de zon op mijn gezicht schijnen. Na weken van regen voelde het alsof ik langzaam werd opgeladen, straal voor straal.

De volgende dag ging ik met een bus vol reizigers en een gids op pad. We bezochten verschillende plekken op het eiland, waaronder de plek waar volgens de legende Aphrodite uit het schuim van de zee werd geboren: Aphrodite’s Rock. Een groep ruige rotsen in helderblauw water. Volgens een oude mythe zou de kust daar zijn gevormd toen de held Digenis Akritas — half mens, half reus — een enorme steen in zee wierp om indringers af te weren. De kliffen zouden daardoor zijn gespleten. Of het waar is, weet ik niet, maar het is een plek die iets mythisch uitstraalt: een samensmelting van kracht en zachtheid, van oerkracht en schoonheid.

Later die dag reden we door naar Paphos, een kustplaats vol historie en zonovergoten pleinen. De geur van zee hing in de lucht, het tempo van het leven leek hier vanzelf trager te gaan.

De dag erna bezocht ik met een klein groepje Kaap Greco — een nationaal park in het zuidoosten van het eiland. Ruige kliffen, zeegrotten, kristalhelder water. De wind was stevig, maar de stilte groots. We kwamen bij een natuurlijke rotsbrug, gevormd door de zee en de tijd. Je mocht er niet meer op lopen, omdat hij op instorten stond — een fragiel evenwicht tussen schoonheid en breekbaarheid. Ik bleef er even staan en dacht: misschien is dat wat het donker me heeft geleerd — dat iets kwetsbaar kan zijn en toch mooi.

Diezelfde dag besloot ik nog een bus te nemen naar de hoofdstad, Nicosia. Een stad die letterlijk in tweeën is gedeeld: het zuidelijke deel Grieks, het noordelijke Turks. Midden in het centrum ligt de grens, bewaakt door een paspoortcontrole. Zodra je oversteekt, verandert alles — de sfeer, de taal, de geuren. De ene kant is modern en Europees; de andere oosters, met markten, theehuizen en een Arabische sfeer. Het is vreemd om in één straat twee werelden te voelen — alsof je van heden naar verleden loopt.

“Hoe verder je komt, hoe meer licht je meeneemt naar binnen.”

Mijn laatste dag hield ik rustig. Nog even ontbijten in de zon, wat door de stad lopen, geen haast. Toen ik later in het vliegtuig zat, keek ik naar buiten en besefte iets. Ik hoef nog maar drie landen van Europa te zien: Oekraïne, Wit-Rusland en Rusland. En hoewel ik mijn doel bijna bereik, voelt het niet als afronden. Eerder als verdergaan. Want misschien is dat het met reizen — hoe verder je komt, hoe meer licht je meeneemt naar binnen.

Misschien is dat ook wat de winter me heeft geleerd. Dat het donker niet langer iets is om bang voor te zijn, maar een plek om kracht te vinden. En dat de zon, hoe ver ik ook reis, altijd in mij blijft branden.



💭 Seizoensritme

Toen de klok werd verzet, besloot ik voor het eerst met het seizoen mee te bewegen. In het voorjaar sliep ik van 01:00 tot 07:00 uur, maar met het ingaan van de wintertijd schoof ik alles een uur naar voren, naar 00:00 tot 06:00 uur. Zo sta ik in de donkere maanden eerder op, geniet ik in de zomer langer van de avonden — en tot nu toe bevalt dat verrassend goed.

0 reacties

Een reactie versturen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *