Ik speel met het zand van de Sahara terwijl ik naar de zonsondergang kijk. Het zand is fijner dan ik had verwacht, bijna als poeder, en nog warm van de zon die de hele dag op de duinen heeft gebrand. Ik schep mijn hand vol en laat het langzaam weer wegglijden. Sommige korrels blijven even aan mijn huid kleven, maar het grootste deel glijdt zonder moeite tussen mijn vingers door terug naar de aarde. Soms gooi ik het iets verderop en zie ik hoe de wind het meeneemt, hoe het zich verspreidt en oplost in het grotere geheel. Hoe steviger ik mijn hand sluit, hoe sneller het ontsnapt. Terwijl ik dat herhaal, besef ik hoe treffend dit beeld is. We lopen allemaal met een hand vol zand. Niet zichtbaar zoals hier, maar net zo werkelijk. Er komt een dag dat je hand leeg is. Zonder aankondiging. Zonder dat je weet hoeveel er nog over is. Misschien is de helft al verdwenen zonder dat je het hebt gemerkt. Misschien ligt er nog maar een dun laagje in je palm. Wat gevallen is, komt niet terug. Geen wind die het weer omhoog blaast. Dat maakt het niet dramatisch, maar wel helder. Het betekent dat je niet kunt leven vanuit de illusie dat er altijd later nog tijd is. Je kunt alleen kiezen hoe bewust je aanwezig bent terwijl het zand door je handen stroomt, ook als de weg daarheen soms energie kost.
“We lopen allemaal met een hand vol zand. Wat gevallen is, komt niet terug. Wat er nog ligt, is van nu.”
Afrika is een continent waar ik altijd even aan moet wennen. Dat begint zodra je het vliegveld verlaat. Taxichauffeurs die je aanspreken en bedragen noemen waarvan je weet dat ze te hoog zijn, maar waar je toch in meegaat omdat je de situatie nog niet goed kunt inschatten. Auto’s die niet netjes binnen één rijstrook blijven, bestuurders die met hun telefoon in de hand rijden, mensen die zonder aarzelen de weg oversteken. Het verkeer lijkt chaotisch, maar beweegt zich toch voort. De energie is anders dan in Europa, minder gereguleerd, minder voorspelbaar. Mijn verblijf was in Tunis, de levendige hoofdstad van Tunesië, waar oude geschiedenis en hedendaagse drukte elkaar voortdurend raken. In de medina lopen smalle steegjes kriskras door elkaar, langs marktkramen, verweerde muren en houten deuren in diepe blauwen en groenen. Geuren van kruiden en vers brood vermengen zich met het geroezemoes van handelaren en voorbijgangers.
De eerste dag van de ramadan was net begonnen. Overdag waren vrijwel alle restaurants gesloten en eten of drinken kopen bleek lastiger dan ik had gedacht. Mensen vasten van zonsopgang tot zonsondergang en passen hun ritme daarop aan. Overdag lijkt de stad ingetogener, maar zodra de zon ondergaat, verandert de sfeer. Dan wordt er gegeten, gelachen, geleefd. In februari is de temperatuur aangenaam; niet de verzengende hitte die je misschien met Noord-Afrika associeert, maar zacht genoeg om uren door de stad te dwalen zonder uitgeput te raken. Samen met een gids bezocht ik Carthago, waar de ruïnes herinneren aan een rijk verleden dat ooit de Middellandse Zee beheerste. In het Bardo Museum bewonderde ik indrukwekkende Romeinse mozaïeken, stuk voor stuk verhalen in steen. In Sidi Bou Said liepen we langs witgekalkte huizen met felblauwe deuren en balkons die uitkijken over zee. Het contrast tussen de ruïnes, de islamitische invloeden en de mediterrane kleuren maakt de regio gelaagd. Die avond ging ik vroeg slapen. De wekker stond op vier uur; de volgende dag zou lang worden.
Om vijf uur ’s ochtends vertrokken we met een kleine groep en een gids voor een tweedaagse tocht richting de Sahara. De komende dagen zouden we verschillende bezienswaardigheden doorkruisen met als eindbestemming de woestijn, waar we zouden overnachten. Onderweg bezochten we het amfitheater van El Djem, een kolossaal bouwwerk dat qua omvang en vorm sterk doet denken aan het Colosseum in Rome. Terwijl we in de arena stonden, vertelde de gids over de gevechten en het publiek dat hier ooit samenkwam. Het idee dat hier eeuwen geleden duizenden mensen juichten of zwegen, maakt geschiedenis tastbaar. Later bezochten we een Berbergezin en zagen we hoe hun woningen deels ondergronds zijn gebouwd. Door hun huizen in de aarde uit te hollen, houden ze de hitte van de zomer buiten en blijft het in de winter juist warmer. Het is een manier van leven die is afgestemd op de omgeving, niet ertegenin.
Tussen de stops door reden we urenlang. Het landschap veranderde langzaam maar merkbaar. Groene stukken maakten plaats voor drogere vlaktes, de bebouwing werd schaarser, de horizon wijder. Na ons bezoek aan de Berbers volgde nog een rit van ongeveer drie uur. Er werd minder gesproken in de bus; de uitgestrektheid werkte bijna verstillend. En toen, zonder aankondiging, verschenen de eerste duinen. Niet één of twee, maar golven van zand die zich uitstrekten tot waar het oog reikte.
De aankomst in de Sahara maakte indruk op een manier die moeilijk te beschrijven is. We werden verwelkomd bij een kamp midden in het zand. Ik kreeg een eigen tent, eenvoudig maar comfortabel genoeg voor de nacht. Nadat ik mijn tas had neergelegd, liep ik direct de duinen in. Het zand voelde anders dan op het strand, fijner, lichter. Ik liep omhoog over de hellingen en sprong soms naar beneden, waarbij mijn voeten diep wegzakten bij elke landing. In de verte trokken mensen op dromedarissen voorbij en anderen reden met quads over de kammen van de duinen. Toch voelde de ruimte overheersend. Terwijl de zon langzaam zakte en de lucht veranderde van blauw naar oranje, geel, roze en paars, dacht ik opnieuw aan het zand in mijn hand. Hier, waar alles uit zand bestaat, wordt het beeld bijna confronterend. Tijd is niet iets abstracts; het is iets wat zich verplaatst, ophoopt en weer verdwijnt.
Na zonsondergang werd het kampvuur aangestoken en verzamelden we ons eromheen. Vier mannen speelden muziek op fluit en trommels, ritmes die zich herhaalden en langzaam onder je huid kropen. Daarna volgde een show met paarden die op het ritme bewogen, en later een demonstratie van hoe brood werd gebakken door deeg onder hete kolen in het zand te leggen. We aten samen onder de open hemel. Toen ik later terugliep naar mijn tent, bleef ik staan en keek omhoog. Ik had nog nooit zo’n heldere sterrenhemel gezien. Zonder lichtvervuiling was de lucht diepzwart en gevuld met ontelbare sterren. De Melkweg tekende zich als een lichte baan af boven de duinen, alsof iemand met een penseel een streep over de hemel had getrokken. Ondanks de kou bleef ik staan kijken. Het was adembenemend in de meest letterlijke zin van het woord; ik merkte dat ik mijn adem inhield.
De volgende ochtend stonden we opnieuw vroeg op. Na een korte nacht keek ik nog één keer naar de hemel voordat deze verbleekte in het ochtendlicht. We ontbeten en vertrokken weer richting Tunis. Onderweg reden we langs Chott el Jerid, een uitgestrekte zoutvlakte die oogt als een witte, opgedroogde zee. Later bezochten we een oase vol palmbomen, bekend als filmlocatie voor onder andere Star Wars. We liepen met de gids een berg op en daalden via een smalle trap af naar een vallei waar water tussen de rotsen stroomde en palmbomen schaduw boden. Het contrast met de droge woestijn was groot; waar eerst alleen zand was, klonk nu het zachte geluid van stromend water.
Na vele uren rijden bereikten we opnieuw Tunis. De volgende dag liep ik nog door de stad, vond een van de weinige geopende restaurants voor de lunch en haalde ’s avonds op de markt brood en een verse kip voor het avondeten. Daarna ging ik vroeg naar bed, want de volgende ochtend vloog ik terug.
Wat deze reis mij opnieuw liet voelen, is dat leven niet vanzelf gaat. Het vraagt energie. Vroeg opstaan, lange ritten, aanpassen aan andere culturen en ritmes, je openstellen voor het onbekende. Het is soms vermoeiend. Maar misschien zegt het juist iets over mij dat ik die vermoeidheid accepteer. Dat ik liever moe ben van het ervaren dan uitgerust van het uitstellen. De Sahara liet me zien dat mijn hand niet oneindig gevuld blijft. Ik kan het zand niet tegenhouden, maar ik kan wel kiezen hoe bewust ik leef zolang het er nog is.






0 reacties