Normaal gesproken reis ik niet met collega’s. Daar houd ik bewust afstand in. Op de werkvloer mag men bijna alles van mij weten, maar samen een paar dagen weg voelde altijd als een grens die ik liever niet overstak. Ik wissel zo nu en dan van baan, niet omdat het misgaat, maar omdat ik na verloop van tijd nieuwe prikkels nodig heb en de uitdaging soms afneemt. Dan begint het te kriebelen en weet ik dat het tijd is voor iets nieuws. Ik durf te zeggen dat ik overal waar ik heb gewerkt een goede collega ben geweest. Niet alleen omdat ik mijn werk serieus neem, maar omdat ik mensen serieus neem. Ik toon inzet, maar leef me ook in. Ik onthoud verjaardagen en belangrijke momenten. Dat beetje extra aandacht maakt vaak meer verschil dan we denken. Als iemand het moeilijk heeft, mag diegene altijd bij mij aankloppen. Het is weleens gebeurd dat ik ’s avonds thuis een uur aan de telefoon hing. Dat kost energie, maar het voelt nooit als een last. Tegelijk zie ik steeds hetzelfde patroon: zodra ik naar een volgende werkplek ga, verwatert het contact – op een paar uitzonderingen na. Als je mijn WhatsApp-gesprekken zou bekijken, zie je bijna een tijdlijn van mijn loopbaan. Namen die een periode fel oplichten en daarna langzaam verdwijnen. Ik vind dat niet erg. Mensen komen en mensen gaan. Van sommigen neem je iets mee.
Met één collega merkte ik al snel dat we op dezelfde dingen aangingen. We delen dezelfde interesses: reizen en uitgaan. Wat begon als grap werd ineens serieus en voor ik het wist, stond er een weekend naar Edinburgh gepland. Een andere collega baalde dat ze niet mee kon, dus boekten we spontaan ook nog een trip naar Berlijn met vijf collega’s, een paar maanden later. Leuk, elkaar in een andere setting leren kennen. Maar ook spannend. Wat als het tegenvalt? Wat als irritaties doorsijpelen naar de werkvloer? Misschien laat ik dan een kant van mezelf zien die ik normaal thuislaat wanneer ik ga werken. De versie zonder professionele filter. De versie die wat losser is, vrijer praat, harder lacht. We hadden niets gepland. Ik was al twee keer eerder in Edinburgh geweest, dus ik liet hem grotendeels bepalen wat we zouden doen. Ik stelde voor dat ik de gids zou zijn waar nodig. We zouden de stad in, een berg beklimmen en vooral het nachtleven ontdekken – iets wat ik daar zelf nog nooit echt had gedaan.
In de trein naar het vliegveld voelde ik een lichte knoop in mijn maag. Niet dramatisch, maar aanwezig. Ik vroeg me af of dit wel verstandig was. Ik probeerde me voor te stellen hoe de dagen zouden verlopen: samen door de stad, omhoog naar Arthur’s Seat, ’s avonds pubs in. Dat laatste gaf me meteen een goed gevoel. Toen we elkaar op het vliegveld zagen, was de spanning eigenlijk direct weg. Dit is een van de grappigste collega’s die ik ooit heb gehad. Op werk liggen we regelmatig dubbel van het lachen. Het begon al bij de gate, waar hij een patiënt van ons nadeed – niet om iemand belachelijk te maken, maar om het werk soms ook wat lucht te geven. We schoten meteen in een deuk. Dat was het moment waarop ik wist: dit komt goed.
Eenmaal aangekomen merkte ik direct weer dat ik in Schotland was. De vriendelijkheid en beleefdheid van de mensen vallen me daar altijd op. Een deur die wordt opengehouden, een begroeting van een onbekende, een praatje dat nergens over hoeft te gaan. We dumpten onze spullen in het hostel en liepen de stad in. Uiteraard begonnen we met een drankje, haggis als voorgerecht en een goed hoofdgerecht erachteraan. We liepen langs de bekende plekken, maakten grappen waar we zelf soms harder om lachten dan nodig was en namen bewust een ontspannen tempo aan. De avond mocht immers nog lang worden. Na een kort rustmoment in het hostel gingen we opnieuw de stad in om te eten. In onze zoektocht naar een restaurant bleven we – heel toevallig natuurlijk – regelmatig “even hangen” in een pub. Puur om de sfeer te testen. Uiteindelijk vonden we een plek met kleine hapjes die we konden delen. Daarna doken we een live music bar in waar ik twee jaar eerder ook was geweest. De muren hingen vol met vlaggen, oude platenhoezen, bierbordjes en vergeelde foto’s. Een band speelde bekende nummers, mensen zongen luid mee, glazen tikten tegen elkaar en voor het kleine podium werd gedanst alsof niemand morgen hoefde te werken. De sfeer was warm, ongedwongen en licht chaotisch – precies goed. We bezochten nog een paar pubs en rond één uur bleek vrijwel alles dicht. Dat was prima. Voldaan liepen we terug naar het hostel. Morgen wachtte Arthur’s Seat.
We stonden op tijd op en wonder boven wonder zonder kater. Opmerkelijk, want mijn lichaam reageert meestal al op een paar glazen alsof ik een festival van drie dagen achter de rug heb. Dit keer bleef de rekening uit. Na een cappuccino en een klein ontbijt haalden we nog een souvenir en liepen naar het startpunt van Arthur’s Seat. Een heuvel net buiten de stad met uitzicht over heel Edinburgh. Ik had hem al twee keer eerder beklommen, maar het blijft bijzonder. Inmiddels heb ik drie seizoenen gezien op die route. Dit keer was het pad nat van lichte regen, hier en daar modderig, maar daardoor ook intens groen. We liepen omhoog op ons eigen tempo. Soms ingehaald door mensen met startnummers – blijkbaar was er een wedstrijd gaande – soms stilstaand voor het uitzicht. Boven waaide de wind hard en was het koud, maar het panorama maakte alles goed. Waar we rustig omhoog waren gegaan, renden we lachend naar beneden. Gewoon omdat het kon. Beneden beloonden we onszelf met water – dat we natuurlijk waren vergeten mee te nemen – en een cappuccino. De laatste uren brachten we door met poolen en darten, uiteraard met een Schots biertje erbij, voordat we teruggingen naar het vliegveld.
Het was een geslaagd weekend. Voor herhaling vatbaar. Soms is het niet de situatie die spannend is, maar het verhaal dat je er vooraf van maakt. Werk en privé hoeven elkaar niet te verstoren wanneer je stevig genoeg in jezelf staat. Misschien gaat het niet om afstand bewaren, maar om vertrouwen hebben in wie je bent – ook buiten dienst. En misschien is dat precies wat deze reis me liet zien.






0 reacties